Steentijdonderzoek is als de patisserie van de kookwereld: het moet juist en afgemeten zijn

Steentijdvindplaatsen vragen een andere aanpak dan sporensites. Door de bodem, de kortere gebruiksperiode van de site (in vergelijking met sedentaire groepen) en de lange tijdspanne tussen gebruik en onderzoek blijven vaak enkel de stenen (of lithische) artefacten goed bewaard. Toch is het mogelijk om aan de hand van slechts een fractie van de prehistorische gebruiksvoorwerpen (ook artefacten genoemd) de vindplaats(en) te bestuderen. Het merendeel van de stenen in een prehistorische vindplaats is (klein) afval, ontstaan bij het vervaardigen van halfproducten, werktuigen of pijlpunten. Ondanks dat het afval voor de prehistorische mens was, bevat het voor archeologen veel informatie. Dit afval heeft namelijk veel meer kans om op dezelfde plaats te zijn achtergelaten als waar de activiteit plaatsvond, aangezien tot 80 % van de artefacten kleiner dan 1 cm is.

Vooronderzoek

Deze sites opsporen is door bovengenoemde factoren helaas een hele opgave. Voorlopig is de meest kostenefficiënte manier om in verschillende fases van vooronderzoek te werken: er wordt gestart met een landschappelijk bodemonderzoek. Dit onderzoek houdt in dat op het projectgebied in een regelmatig grid (vaak 30 op 40 m) boringen met een diameter van 7 cm worden uitgevoerd. De opgeboorde sedimenten worden per boorlocatie geanalyseerd op basis van de kleur, textuur en dikte.

Als het landschappelijke onderzoek een gave bodem (zonder verstoringen, afgravingen, …) aantoont, volgt een verkennend archeologisch booronderzoek. De verkennende fase gebeurt doorgaans in een verspringend boorgrid van 10 op 12 m en met een boordiameter van minstens 10 cm. De aard, dikte en textuur van de bodemlagen en –horizonten worden per boorlocatie genoteerd. Verkennend archeologisch booronderzoek richt zich in eerste instantie op het opsporen van indicatoren van prehistorische activiteit. Dit zijn meestal vuur- of kwartsietstenen artefacten die ontstaan zijn door menselijke handelingen. Maar ook verharde organische overblijfselen zoals verkoolde hazelnootdoppen, verbrande botresten en houtskool kunnen een teken zijn van menselijke aanwezigheid. Om deze arte- en ecofacten te vinden wordt het opgeboorde sediment van de boorlocaties daarom bemonsterd en meegenomen om het te zeven met water over een zeefmaaswijdte van 2 mm.

Elke emmer staat bij een boorlocatie, deze zijn uitgezet volgens een grid.

Na een grondige interpretatie van de bodemopbouw in de boorlocaties in combinatie met eventuele vondsten(verspreidingen) kan beslist worden over te gaan naar een waarderend archeologisch booronderzoek. Hierbij wordt (een deel van) het terrein met boringen van minstens 10 cm diameter onderzocht, die in een verdicht grid van 5 op 6 m zijn gezet. In deze fase is het doel het evalueren van de opgespoorde archeologische sites. Indien de verkennende archeologische boringen dus positieve resultaten opleverde, wordt bij waarderende boringen getracht de archeologische vindplaats in tijd en/of ruimte af te bakenen. Hierbij wordt op dezelfde manier gezocht naar overblijfselen in de opgeboorde sedimenten: via bemonstering en zeefwerk.

Wanneer een prehistorische vindplaats min of meer afgebakend is, willen we door een waarderend testvakkenonderzoek meer informatie verzamelen over de gaafheid, verspreiding, ouderdom en eventuele fasering van de site. Om hiervan een inschatting te maken wordt het geselecteerd terrein onderverdeeld in blokken van 5 op 5 meter, die op hun beurt zijn opgedeeld in vakken van 0,5 m bij 0,5 m. Ieder vak krijgt hierbij een uniek nummer. Om de anderhalve meter wordt één vak in lagen van 5 cm integraal opgegraven. Het sediment wordt in kratten verzameld en nat gezeefd over een maaswijdte van 2 mm. Na het drogen wordt het zeefresidu gescreend op archeologische indicatoren (vuursteen, verkoolde hazelnootdoppen, gecalcineerd bot, handgevormd aardewerk,…) en gewaardeerd door een specialist. Een typologische en technologische analyse zorgen voor een eerste inzicht in de ouderdom en eventuele fasering van de site, een ruimtelijke analyse wordt ook uitgevoerd zodat eventuele verspreidingspatronen onderscheiden kunnen worden.

Op basis van alle resultaten kan een beslissing gemaakt worden waar eventueel een vlakdekkende opgraving nodig is. De selectie voor verder onderzoek kan gemaakt worden op aantallen lithische artefacten, maar ook op aard van de vuursteenvariant, eventuele aanwezigheid van andere grondstoffen (bv. kwartsieten) of bijzondere clustering van andere prehistorische indicatoren (bv. hazelnootdoppen). Er wordt ook altijd met de opdrachtgever op een kans voor bewaring in situ gecontroleerd: dit houdt in dat de site in zijn oorspronkelijke staat in de grond bewaard wordt.

uitzetten testvakken
Uitzetten van de waarderende testvakken

Opgraving

Een vlakdekkende opgraving van de prehistorische vindplaats is de laatste stap in het steentijdonderzoek. De geselecteerde zone wordt volgens dezelfde techniek opgegraven als de voorafgaande testvakken: in ieder vak van 50 op 50 cm binnen de selectie wordt het sediment in lagen van 5 cm opgegraven en integraal nat gezeefd op een maaswijdte van 2 mm. Ook de verwerking gebeurt op dezelfde manier: de lithische artefacten worden onderworpen aan een typologische, ruimtelijke en beperkte technologische studie, en ook de andere vondsten worden bestudeerd door de desbetreffende specialist. De verbrande en verkoolde ecofacten die eventueel aangetroffen worden hebben een belangrijke rol om bij te dragen tot de eventuele datering van de vondstencluster(s). De organische resten worden gedateerd via de 14C-datering: deze techniek gaat na wat de verhouding tussen de isotopen van koolstof is. Organisch materiaal neemt constant koolstof-14 op uit de atmosfeer. Na het afsterven van het organisch materiaal valt dit mechanisme stil, en neemt het gehalte aan koolstof-14 zeer langzaam volgens een constante halveringstijd af. De halveringstijd voor koolstof is gekend, en op die manier kan men de ouderdom van het organisch materiaal berekenen.

Aan de hand van de 14C-dateringen van organische vondsten kan de site vergeleken worden met andere vindplaatsen in de onmiddellijke regio, maar ook ver daarbuiten. Alle bevindingen worden neergeschreven in een eindverslag, dat zo bijdraagt aan kenniswinst in het steentijdonderzoek in Vlaanderen.

Vuursteenanalyse

RAAP België kan u bijstaan in alle fases van het steentijdonderzoek. Met de expertise van twee bodemkundigen, twee GIS-specialisten, twee vuursteenspecialisten en verschillende andere materiaalspecialisten kunnen zowel landschappelijke en archeologische boringen als testvakkenonderzoek en vlakdekkende steentijdopgravingen tot een goed einde gebracht worden.

Het sediment van zowel de archeologische boringen als opgegraven vakken wordt verzameld en nat gezeefd over een maaswijdte van 2 mm. Hierbij wordt zorgvuldig tewerk gegaan om eventueel aanwezige archeologische (vuursteen)artefacten niet te beschadigen.

Na het drogen wordt het zeefresidu gewaardeerd door de betreffende specialisten. Het uitsplitsen van het zeefresidu gebeurt met het ongewapend oog, onder zowel natuurlijke als kunstmatige lichtinval. Bij zeer kleine fragmenten of bij twijfel over het antropogeen karakter van de vondsten wordt eventueel de hulp van een loep (9x) ingeroepen. Eventueel aanwezige ijzerconcreties worden gebroken om te zien of zij archeologische artefacten bevatten. Er wordt getracht alle indicatoren van menselijke activiteit te identificeren: zowel directe (vuursteen of een andere conchoïdaal brekende grondstof zoals kwarts, natuursteen, aardewerk, …) als indirecte archeologische indicatoren (houtskool, bot en macroresten).

Tijdens het uitsplitsen van de zeefresidu’s gaat de aandacht in de eerste plaats naar een eventuele steentijd aanwezigheid in het projectgebied, maar daarnaast worden ook andere indicatoren, die op een recentere menselijke aanwezigheid wijzen, meegenomen en bestudeerd. Hierbij denken we in de eerste plaats aan handgevormd of Romeins en vroeg-/volmiddeleeuws aardewerk, hoewel indicatoren voor meer jongere archeologische vindplaatsen ook relevant kunnen zijn voor de interpretatie (met name bouwafval, pijpaardewerk, metaal, steengoed,…), aangezien deze bewijs kunnen leveren van verstoring, zowel horizontaal als verticaal.

Methodologisch worden per archeologische eenheid (boorlocatie, vak 50x50cm, eventueel spoor, …) de materiaalcategorieën uitgesplitst en in de mate van het mogelijke gedetermineerd. Steeds is een telling (n) van het aantal vondsten gedaan.

Voor de studie van het vuursteen wordt gelet op volgende zaken:

  • Aantal antropogene vuursteenfragmenten
  • Typologie: chip, afslag, (micro)kling, brokstuk, potlid, vorstafslag, knol, werktuigen, kerfrest, verfrissing, kern
  • Grondstof (vuursteen, Wommersom- of Tienenkwartsiet of andere)
  • Verbrand/onverbrand
  • Verbrandingsgraad indien verbrand: licht / matig / zwaar
  • Opmerkingen bv. ‘twijfelachtig’
  • Aanwezigheid pseudoartefacten
Vuursteen afslag uit het paleo- of neolithicum, gevonden in Torhout.

Artefacten die tijdens de eerste bewerkingsfase zijn ontstaan worden in bulk beschreven per archeologische eenheid (laag in boorlocatie of vak). Werktuigen, werktuigenafval, kernen en verfrissingsmateriaal worden op individuele basis beschreven op eigenschappen zoals het type, de aard en percentage van de cortex, verbrandingsgraad, afmetingen, morfologische kenmerken (hiel, dwarsdoorsnede, lengtekromming, …) en eventuele macroscopische bewerkingssporen. Dit analyseniveau is van belang voor het inzicht in de typo-chronologische variabiliteit en een technologische studie. Een ruimtelijke analyse van het vondstmateriaal, ook getoetst aan de andere vondstcategorieën, legt eventuele verspreidingspatronen bloot.

Sporen met een vermoedelijke prehistorische datering die tijdens het testvakkenonderzoek of vlakdekkende opgraving aan het licht komen worden uitgebreid bemonsterd. Ten minste één bulkstaal van 20l per spoorvulling wordt verzameld in het kader van mogelijk archeobotanisch en/of zoölogisch onderzoek. Andere spoorvullingen worden bemonsterd volgens een beargumenteerde strategie en volgens de Code van Goede Praktijk. Na een grondige interpretatie van de bodemopbouw in combinatie met eventuele vondsten(verspreidingen) wordt de noodzaak van elke volgende fase van steentijdonderzoek uitvoerig afgewogen. Er wordt ook altijd met de opdrachtgever op een kans voor bewaring in situ gecontroleerd. Alle bevindingen, antwoorden op onderzoeksvragen en eventueel verdere stappen worden gebundeld in een Verslag van Resultaten, archeologierapport en/of eindverslag.